Het klavermodel schetst de vier inrichtingselementen van een organisatie
die met elkaar in evenwicht moeten zijn om gewenste resultaten op korte en lange termijn te bereiken.
In dit model worden organisaties beschouwd als een systeem waarbij invoer
wordt omgezet in output (producten of diensten) ten behoeve van klanten of afnemers. Het klaverbladmodel richt zich op de
organisatie-inrichting.
Het inrichtingselement
processen
Producten of diensten die geleverd worden aan klanten zijn
de uitkomst van processen die plaatsvinden in de organisatie. De producten, diensten en de onderliggende processen geven invulling
aan het bestaansrecht van een organisatie.
De organisatie die deze producten en diensten tegen een voor
klanten aanvaardbare prijs en kwaliteit kan aanbieden, verwerft bestaansrecht.
We onderscheiden drie typen processen: standaard, samengestelde
en maatwerkprocessen (Hartog, Molenkamp en Otten, 1998). Standaard processen worden gekenmerkt door een eenduidig product
en een routinematige procesgang.
Deze processen kennen één standaard procesgang. Een samengesteld
proces levert producten met een beperkte en vooraf gedefinieerde variatie, die totstand komt door vooraf gedefinieerde keuzemomenten
in de procesgang.
Maatwerkprocessen leveren een breed productassortiment, waarbij
de procesgang grotendeels, zoniet volledig, wordt bepaald door klantspecificaties. Voor het inrichten van toekomstrobuuste
processen is deze opsplitsing belangrijk. Een organisatie moet in staat zijn om voor de korte termijn haar klanten een product/dienst
te leveren waarmee ze concurrerend kan zijn ten opzichte van concurrenten. Als de klantenwensen stabiel zijn, dan volstaat
uitsluitend een organisatie met daarin zoveel mogelijk ‘gestandaardiseerde processen’. Als de klantwensen (binnen
bandbreedtes) wijzigen en op maat voor klant(groep)en moeten worden aangepast, dan moet worden gezocht naar maatwerkmogelijkheden
(combinaties van gestandaardiseerde halffabrikaten). Er ontstaat dan meer ‘flexibiliteit’ om productvarianten
voort te brengen (samengestelde processen). Als blijkt dat de omgeving veel dynamischer en minder voorspelbaar is, dan zullen
maatwerkprocessen een veel dominantere plaats hebben binnen de organisatie. Daarmee kan snel worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen.
De processen van een organisatie worden toekomstrobuuster ingericht
als er minder wordt gestreefd naar standaardisatie. Praktisch betekent dit bijvoorbeeld dat managers meer sturen op outputspecificaties
en minder op detail (werkinstructies). Dit geeft medewerkers zelf continu de mogelijkheid om het operationele proces te organiseren
en bij te sturen als dat nodig is. Een tweede mogelijkheid is om de processen te beschouwen als ‘legostenen’.
Ieder proces bestaat uit ‘subprocessen’ of ‘activiteiten’. De inhoud van deze subprocessen is vooraf
goed gedefinieerd en de input voor en de output van deze subprocessen zijn gedetailleerd omschreven. Nu wordt het mogelijk
om het proces snel aan te passen, door de subprocessen ten opzichte van elkaar te verschuiven. Dit fenomeen wordt ook wel
business process management (BPM) genoemd.
Ook kunnen de processen losser gemaakt worden van de onderliggende geautomatiseerde
systemen, bijvoorbeeld door handmatige activiteiten uit te voeren (niet alles werkt geautomatiseerd beter) of door de proceslogica
te scheiden van de software. Processen en ICT zijn dan snel aanpasbaar. Ook belangrijk in dit kader is het vrijmaken van tijd
en geld voor kennisdeling (van vaak ongestructureerde kennis) tussen medewerkers, zodat zij ervaringen van elkaar kunnen uitwisselen
en hergebruiken en er een gericht leerproces in de organisatie ontstaat.
Het inrichtingselement
personeel & cultuur
In de klassieke Tayloriaanse manier van kijken naar personeel
gaat het om arbeidsdeling, taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van medewerkers. Deze aspecten krijgen invulling door
functiebeschrijvingen op te stellen en procedures te schrijven in aansluiting op de administratieve organisatie. Deze technisch-inhoudelijke
kant is maar één kant van de organisatie-inrichting. De andere (zachte) kant van organisatie-inrichting is de organisatiecultuur.
De cultuur omvat de waarden en normen die worden gehanteerd; ze komen tot uitdrukking in de stijl van leidinggeven, de capaciteiten
en vaardigheden van de medewerkers, de vormgeving van de onderlinge communicatie en dergelijke. Enerzijds stelt de organisatie
eisen in termen van kennis, vaardigheden en (kwantitatieve) beschikbaarheid. Anderzijds stellen de medewerkers zelf ook eisen
in termen van zinvol, verantwoordelijk en aantrekkelijk werk en opleiding en ontwikkelingsmogelijkheden. Als je een proces
gaat herontwerpen dan is het de vraag of de taken die worden gedefinieerd nog aansluiten bij de eisen van de medewerkers.
Er zijn immers meerdere soorten medewerkers. We onderscheiden in dit artikel generalisten en specialisten. Generalisten overzien
het hele proces en voeren liever alle activiteiten uit voor één (eind)product dan zich te specialiseren in één of een aantal
activiteiten. Specialisten richten zich liever op één of een aantal taken en voeren die zeer goed uit.
Tegenwoordig wordt in organisaties vaak uitgegaan van de
individuele verantwoordelijkheiden zelfsturing van de mens binnen een organisatie. Een voorbeeld van toekomstrobuuster worden
op dit gebied is het organiseren van klant(groep)teams van generalisten en specialisten die continu samenwerken, wat zorgt voor een cultuur die
zich volledig en flexibel aansluit op de wijzigende behoeften van de klant. Omdat de verdeling tussen generalisten en specialisten
door nieuwe werk- en organisatievormen niet meer gelijk loopt met de hiërarchische taakverdeling, zijn generalisten niet meer
automatisch synoniem met managers. Het inschakelen van meer (hoogopgeleide) generalisten in de processen van de organisatie
zorgt ervoor dat de inhoud van werkzaamheden snel kan veranderen als de omgeving dat vereist. Deze medewerkers kunnen zich
snel in een nieuw onderwerp inwerken. Volberda en Van den Bosch (2005) maken hierbij voor managers een onderscheid tussen
gespecialiseerde routines en dynamische vaardigheden. Deze laatste vragen van managers en medewerkers een brede en diepe kennisbasis,
een hoog absorptievermogen, brede denkkaders en veel experimenteerdrift en hogere-ordeleren.
Met de mens als zelfsturend onderdeel van de organisatie wordt
het mogelijk om te streven naar continue ontwikkeling en verbetering van de prestaties van een organisatie. Naast de mogelijkheid
om top-down vernieuwingen en verbeteringen door te voeren geeft dit namelijk de mogelijkheid om de medewerkers bottom-up veranderingen
te laten initiëren, te laten uitwerken en te implementeren. Belangrijke voorwaarden voor het ontstaan van synergie tussen
deze organisatieveranderingen zijn vaak een gezamenlijk gedragen visie en krachtig leiderschap om de veranderingen op elkaar
af te stemmen. Volberda en Van den Bosch (2005) onderscheiden voor innovatie in organisaties dan naast crosshiërarchische
vaardigheden door verticaal management ook het ontwikkelen van crossfunctionele vaardigheden door horizontaal management (bijvoorbeeld
voor kennisuitwisseling) en crossculturele vaardigheden door ideologisch management.
Het inrichtingselement
informatietechnologie
Informatietechnologie moet vooral de benodigde flexibiliteit
van processen ondersteunen. Zo worden samengestelde processen idealiter ondersteund door gebruikersvriendelijke en snel aanpasbare
ICT-toepassingen (bij voorkeur aan te passen door een gebruiker of productmanager zelf), die op pc’s of via netwerken
aan de gebruiker ter beschikking worden gesteld. Standaardprocessen worden idealiter ondersteund door (grootschalige) ICT-toepassingen.
Deze typische backofficeprocessen worden zo veel mogelijk geautomatiseerd uitgevoerd. Deze toepassingen zijn en worden ontwikkeld
volgens grootschalige en gefaseerde systeemontwikkelingsmethoden.
Op plaatsen in de organisatie waar de kennis van de organisatie wordt beheerd
en waar snel en flexibel moet kunnen worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen, moet ICT flexibel en snel aanpasbaar zijn.
Dit speelt vaak een rol in mid-offices of innovation offices, waar de frontofficetechnologie moet worden gekoppeld aan de
backofficetechnologie. We noemen deze koppeling in een technische mid-office ook wel Enterprise Applicatie Integratie (EAI).
EAI is een filosofie, een soort architectuur, waarmee applicatie-integratie nu en in de toekomst wordt vereenvoudigd, min
of meer onafhankelijk van de specifieke applicatie. Vandaar de term Integratie Architectuur,
die je bij EAI vaak tegenkomt. Onder druk van de behoefte om functionaliteit te integreren verschuift de focus; de nadruk
komt meer op de lijmlaag tussen
de componenten te liggen dan op de
componenten zelf. Dit geldt voor alle lagen van de architectuur: van
informatie tot technische infrastructuur.
Een toekomstrobuustere ICT-architectuur maakt dan ook gebruik van in
recente perioden ontwikkelde ICT-elementen die hieraan tegemoetkomen. Bijvoorbeeld platforms die infrastructuurcomponenten
integreren op basis van modulaire systemen, die ook eenvoudig weer ontvlochten kunnen worden. Ook het gebruik van open standaarden
voor gegevensuitwisseling maakt ICT toekomstrobuuster. Immers, hiermee kan ICT-functionaliteit snel worden aangesloten op
andere functionaliteiten of data, op basis van de afgesproken uitwisselingsstandaard. Dit geldt zowel binnen als buiten de
organisatie.
Het inrichtingselement
beheersing
Het traditionele antwoord op prikkels uit de omgeving is de
organisatiestructuur, als ultieme ‘gestolde’ vorm van toegepaste besturingsprincipes die processen, personeel
& cultuur en ICT dienen te beheersen. Hieronder bespreken we kort een aantal organisatiemodellen in relatie tot de toekomstrobuustheid
binnen een organisatiestructuur.
Functionele organisatiestructuur
In deze organisatiestructuur worden taken verdeeld op basis
van de aard van de activiteiten, ofwel de fase van bewerking. De natuurlijke samenhang tussen de opeenvolgende activiteiten
wordt daarbij verbroken. In deze vorm zijn een hoge bezettingsgraad en schaalvoordelen mogelijk. Besluitvorming vindt bijnaaltijd
centraal plaats en de medewerkers hebben een hoge inhoudelijke deskundigheid. Het risico voor toekomstrobuustheid zit in de
‘competentievalkuil’ van ingesleten routines en vaste investeringen en in de traagheid van besluitvorming over
organisatiebrede vernieuwing.
Product (of geografische of markt)-structuur
In deze organisatiestructuur zijn de activiteiten verdeeld op basis
van de producten. Alle activiteiten die moeten worden verricht voor een product(groep) worden hierbij samengevoegd. Er is
een grote klantgerichtheid met veel decentrale besluitvorming, maar de bezettingsgraad en schaalvoordelen zijn relatief laag.
Medewerkers hebben veelal een lage inhoudelijke deskundigheid. Het belangrijkste risico voor toekomstrobuustheid zit in een
maatwerkoplossing voor klantvragen, die ook (grotendeels) standaard en goedkoper had kunnen zijn.
Matrixorganisatie
Het idee van de matrixorganisatiestructuur is dat de kennis van de organisatie
zoveel mogelijk wordt geborgd en anderzijds dat de matrixorganisatie snel kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen en deze snel
kan implementeren in de organisatie. Deze structuur verenigt de verticale functionele indeling met een horizontale productstructuur.
Deze structuur wordt wel toegepast in organisatieonderdelen waar veelal projectmatig wordt gewerkt, zoals in research- en
developmentomgevingen. In horizontale richting wordt gewerkt aan producten of markten. De verticale richting levert de expertise
vanuit verschillende disciplines. Het risico voor toekomstrobuustheid zit in de interne gerichtheid. De medewerkers in de
organisatie hebben namelijk te maken met twee bazen, een vakinhoudelijke en een projectbaas. De organisatie zelf brengt inefficiency
met zich mee omdat er veel afhankelijkheden worden gecreëerd. Hierdoor ontstaan veel informele verticale en horizontale afstemmingen
over zowel huidige prestaties als over verandering.
Frontoffice-, innovation office- en backofficemodel
In figuur 6 worden de frontoffice, de backoffice en de innovation office
naast elkaar geschetst in een ‘organisatiehuis’. De frontoffice is vaak ingericht naar klantgroepen of producten
en het doel is om via één kanaal zoveel mogelijk aan de verschillende klantwensen tegemoet te komen. Met de frontofficeprocessen
moet de organisatie in staat zijn snel en flexibel in te spelen op de (veranderende) eisen en wensen van deklant. Frontofficeprocessen
zijn vaak uit standaardbouwstenen samengestelde processen. In de frontoffice is sprake van zeer brede taakspecialisatie en
lage formalisatie van gedrag. Om dit type structuur mogelijk te maken is een hoge graad van opleiding noodzakelijk.
Het innovation office, of ook wel de mid-office, is de plaats in de
organisatie waar de kennis van de organisatie wordt beheerd. Ingewikkelde vragen vanuit de frontoffice (tweedelijnsvragen)
worden hier afgehandeld.. Daarnaast heeft de mid-office de taak om nieuwe ontwikkelingen of mogelijkheden snel te signaleren,
te beoordelen op passendheid en risico’s en te realiseren in de bestaande organisatie. De processen hebben hier als
kenmerk een hoge mate van flexibiliteit. De backoffice voert met name standaardprocessen uit. Er is dan sprake van een relatief
smalle taakspecialisatie: het betreft routinematige werkzaamheden die minder brede kennis vereisen. Taken zijn relatief eenvoudig;
de beperkte mate van opleiding en training die hiervoor nodig is, is gericht op het (nog) efficiënter uitvoeren van het takenpakket.
De backofficeprocessen zijn grotendeels geautomatiseerd.
Recente onderzoeken laten zien dat structuur eenvoudig moet zijn (Nohria,
Joyce en Roberson, 2003) en in lijn met de strategie (en omgekeerd) (Roberts, 2004). Meer toekomstrobuustheid ontstaat dan
ook vooral door de organisatie te beschouwen als een doos legoblokken. Deze hoeven zeker niet elk dezelfde vorm en ook niet
dezelfde besturing te kennen. We zien dat ook steeds vaker gebeuren in bijvoorbeeld business process outsourcing en in het
vormen van shared service centers. Belangrijk is dat de structuur meebeweegt met een besturing die gericht is op de balans
tussen korte en lange termijn.